Diabetes Insipidus

Gesloten
Gebruikersavatar
Neeltje
Advies PZ-Can
Berichten: 71557
Lid geworden op: 13 mar 2009 17:48
Insuline: was Caninsulin

Bericht door Neeltje » 27 nov 2015 16:33

Diabetes Insipidus heeft niets met Diabetes Mellitus oftewel suikerziekte te maken.


Diabetes insipidus wordt vermoed bij een dier dat buitengewoon veel drinkt maar over het algemeen geen echte ziektesymptomen vertoont. Het is een ziekte die niet veel voorkomt maar indien gevonden vaak met goed resultaat kan worden behandeld. Het hormoon AVP wordt aangemaakt en afgescheiden door de hypothalamus in de hersenen en heeft effect op de cellen van de nieren om waterresorptie te bevorderen en op de vorming en het concentreren van urine. Diabetes insipidus (DI) kan ontstaan door een absoluut tekort in aanmaak van dit hormoon of het onvermogen van de niercellen om adequaat te reageren op dit hormoon.

Er bestaan 2 soorten DI:
Centrale DI (CDI); dit is het resultaat van een onvoldoende aanmaak van AVP in de hypothalamus Dit kan ook een partiële tekortkoming zijn. Dit kan ervoor zorgen dat de maat voor de concentratie bv van de urine het soortelijk gewicht (sg) daalt tot onder de 1005. Een normale geconcentreerde urine ligt rond de 1035 sg. Zo lang uw dier zoveel kan drinken als hij wil is dit geen probleem. Bij waterrestrictie kan de concentratie van de urine oplopen tot maximaal 1020 maar dan is de patiënt ook ernstig uitgedroogd. Meestal is de oorzaak onbekend (idiopatisch). Indien wel een oorzaak kan worden gevonden is dit vaak koptrauma, tumoren en afwijkingen in de hersenen.

Nefrogene DI (NDI); dit betekent dat de nieren niet voldoende reageren op het AVP uit de hersenen. De concentratie AVP kan dan normaal of verhoogd zijn. Primaire of familiale NDI is een zeldzame aangeboren afwijking bij hond en kat. De oorzaak hiervan is onbekend. De meest voorkomende vorm is een secundaire NDI door een renale of metabole oorzaak bijvoorbeeld nierfalen.

Symptomen
Diabetes insipidus komt voor bij dieren van alle leeftijden en rassen. Het voornaamste kenmerk is veel drinken en veel plassen. Dieren met deze ziekte lijken vaak zelfs incontinent omdat ze zo vaak moeten plassen en het soms niet redden tot ze weer uitgelaten worden. Katteneigenaren merken vaak dat ze de kattenbak veel vaker moeten verschonen. Andere klinische symptomen zijn afhankelijk van eventuele secundaire oorzaken zoals neurologische verschijnselen indien een tumor in de hersenen of nierproblemen. Het klinisch onderzoek laat dan ook vaak geen bijzonderheden zien bij deze dieren.

Diagnose
In eerste instantie wordt gezocht naar een oorzaak voor secundaire NDI. Dit betekent dat er bloedonderzoek wordt gedaan en herhaald urineonderzoek, eventueel aangevuld met echo en röntgenfoto’s. De ziekte van Cushing wordt vaak eerst uitgesloten. Indien al deze onderzoeken niets opleveren behalve soms een wat laag ureum en een laag sg van de urine. De aanvullende onderzoeken kunnen bestaan uit een gemodificeerde dorstproef, willekeurige plasma osmolariteit bepalingen en de reactie van het lichaam op het geven van de medicatie.

De meest gebruikte test is de gemodificeerde dorstproef waarbij het dier water wordt ontzegd en het soortelijk gewicht van de urine en het gewicht van het dier in de gaten worden gehouden. Dit kan op de praktijk en in een thuissituatie gebeuren. Een normaal dier zou zonder meer dan 3-5 % van zijn lichaamgewicht te verliezen zijn urine kunnen concentreren tot een sg van minstens 1030. De tweede fase van de test indien de urine niet of slecht wordt geconcentreerd bestaat uit het toedienen van synthetisch AVP. De reactie hierop bepaalt of het een nefrogene of een centrale DI is.

Het alternatief is een proefbehandeling met AVP gedurende 2 weken, dit wordt gedaan met een druppel in het oog. De urine moet dan op meerdere momenten worden gecontroleerd en indien als reactie op de medicatie een sg van boven de 1030 wordt bereikt en/of een verbetering van 50 % of meer is de diagnose CDI aannemelijk. Dieren met NDI zullen een minimale respons laten zien.

Plasma osmolariteit(concentratie) kan worden bepaald maar kan ook bij een dier met DI normaal zijn. Indien hersenproblemen worden verwacht kan ook een CT scan of een MRI scan gebruikt worden voor diagnostiek.

Therapie
De meeste dieren met diabetes insipidus worden behandeld met druppels in het oog. Deze druppel is officieel gemaakt voor gebruik in de neus maar werkt uitstekend bij toediening in de ogen. Meestal is 1-4 druppels 1-2 x daags voldoende om de ziekte onder controle te krijgen.

Bij NCI zijn de mogelijkheden voor behandeling aanzienlijk kleiner. Zoutbeperking en thiazides zijn van beperkte waarde bij het verminderen van de symptomen. Deze dieren kunnen echter prima worden gehouden in een woonomgeving waar onbeperkt plassen en drinken mogelijk is bv als erfhond. Grote hoeveelheden oogdruppels zouden ook wel een effect kunnen geven maar maken de behandeling erg duur. Waterrestrictie is bij deze honden levensgevaarlijk.

Prognose
Dieren met aangeboren of idiopathische CDI hebben over het algemeen indien goed behandeld een prima prognose. De prognose van dieren met tumoren in de hersenen is natuurlijk veel slechter afhankelijk van welke tumor zich daar bevindt en of radiotherapie of chemotherapie effect kunnen geven.
De prognose voor dieren met primaire NDI is afhankelijk van de mogelijkheden qua leefomstandigheden en bij secundaire NDI afhankelijk van de primaire oorzaak.
Gesloten